Deze studie probeert via het ontwerpend onderzoek een antwoord te formuleren op de problematiek van een dichtbebouwd Vlaanderen, gekoppeld aan de nood om 300.000 bijkomende woningen te bouwen tegen 2030. Daarbij staat het nadenken over nieuwe vormen van collectiviteit – wars van alle clichés en taboes – centraal. Het vastgoedpatrimonium in beheer van de Sociale huisvestingsmaatschappijen vertegenwoordigt een aanzienlijk ontwikkelingspotentieel voor Vlaanderen. Dit potentieel schuilt in (1) het feit dat deze gronden in één hand zitten, meer bepaald eigendom zijn van de erkende maatschappijen en bijgevolg vatbaarder zijn voor directe sturing vanuit het beleid; in (2) de doorgaans goede ligging van deze wijken, grotendeels aansluitend bij en verweven met de bestaande kernen; in (3) de mogelijkheid een belangrijke ruggensteun te leveren aan de opwaardering van het bestaande patrimonium; en in (4) de marge voor verdichting en collectieve woonvormen die schuilt in het wat achterhaalde woonmodel van geschakelde laagbouw, op individuele leest geschoeid en met een overmaats publiek domein. Het ontwikkelingspotentieel van deze gronden en wijken werd onderzocht via ontwerpstudies op 5 bestaande sociale woonwijken, gevoed door intensieve workshops met private en gemeentelijke ontwikkelaars, en met vertegenwoordigers van de sociale huisvestingsmaatschappijen. www.pilootprojectenwonen.be